- Locatie
Raadzaal
- Voorzitter
- de heer H. Frenken
Agendapunten
-
1
Besluit
De voorzitter opent de vergadering om 19.30 uur.
Hij meldt dat de leden H. Wijers (SV), F. Joosten (CDA) en M. Teluij (LC) zijn verhinderd; mevrouw Wijers wordt waargenomen door raadslid H. Sleven.
Ook het lid J. Wierts (AL) blijkt niet aanwezig te zijn. -
2
Dit betreft een extra vergadering van de commissie ruimte die alleen wordt gehouden voor het bespreken van het raadsvoorstel 'Vaststellen bestemmingsplan Buitengebied'.
Het is de bedoeling dat in een extra raadsvergadering op 25 februari 2014 het raadsvoorstel ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt voorgelegd.Bijlagen
Besluit
De commissie stelt de voorliggende agenda vast conform de door de voorzitter opgestelde voorlopige agenda.
-
3
Besluit
Er zijn geen verzoeken om spreekrecht ingediend.
-
4
Bijlagen
Besluit
Bijlage bij agendapunt 4
van de (extra) commissievergadering ruimte van 18 februari 2014
Bespreken raadsvoorstel (extra) raadsvergadering 25 februari 2014 ‘Vaststellen bestemmingsplan buitengebied’
Gelet op het bijzondere karakter van deze vergadering is bij wijze van uitzondering bij de besluitenlijst deze bijlage gevoegd waarin de beraadslagingen op hoofdlijnen aan de orde komen.
In zwart staan de vragen van de commissieleden, in blauw de door de wethouder en de ambtenaren gegeven antwoorden en in rood de door of namens de wethouder gedane toezeggingen
De bespreking van het raadsvoorstel vindt plaats in 7 delen, hierna genummerd 1 t/m 7
- Planstukken: regels, verbeelding en toelichting
De heer M. Wagemans:
a. Wat gaat de gemeenteraad - als hij besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan buitengebied - vaststellen m.b.t. de intensieve veehouderij? Kunnen er in Leudal nieuwe intensieve veehouderijen bijkomen? Nee. Daarop is één uitzondering: als een bedrijf uit de markt gehaald wordt dan kan dat bij knelsituaties of bij een op een ongunstige locatie gelegen bedrijf gebruikt worden om een bedrijf te verplaatsen naar een betere locatie.
b. Wat gaat de gemeenteraad – als hij besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan buitengebied – m.b.t. de toepassing van de op 10sep13 aangepaste ‘(gebiedsvisie bij de) Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Leudal 2011’ vaststellen? Wordt die verordening dan locatie specifiek bekeken, zoals de Raad van State dat bij Van Rooij Nuenen BV in Ell heeft gedaan, of in z’n algemeenheid? Zijn de uitbreidingsmogelijkheden van agrariërs geringer als zij in hun omgeving andere agrarische bedrijven, bijvoorbeeld varkensbedrijven, hebben? De uitbreidingsmogelijkheden zijn dan geringer als gevolg van de cumulatie van geureenheden bij de berekening van voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. Maar dat soort zaken wordt niet in het bestemmingsplan geregeld, daarvoor dient die verordening.
c. Dan dient toch in het bestemmingsplan de systematiek van locatie specifieke regels te worden opgenomen en hoe de berekeningen gaan plaatsvinden? In het toetsingsadvies van de commissie MER wordt immers geadviseerd om in een aanvulling op het MER aannemelijk te maken dat er geen aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zal optreden, door een beschrijving op te nemen van o.a. de uitbreidingsruimte (inclusief wijzigingsbevoegdheden) die het plan maximaal mogelijk maakt. Het bestemmingsplan geeft de ruimtelijke kaders. Door vaststelling daarvan worden de milieu- en geurregels niet gewijzigd. Overigens heeft elk agrarisch artikel een wijzigingsbevoegdheid met daarin opgenomen alle voorwaarden waaraan een bedrijf moet voldoen om te kunnen uitbreiden. Sommige voorwaarden gaan specifiek in op het milieu, bijvoorbeeld ‘er is geen toename van ammoniakemissie’. Dat wordt dan per locatie bekeken.
d. Dus als er ruimte is voor een bedrijf om de geuruitstoot op te vullen tot een nog niet bereikt niveau van 14 odeur eenheden (en het bedrijf ook overigens aan allerlei voorwaarden voldoet) dan kan dat? Ja.
e. De MER commissie zegt dat fijnstof aandacht verdient en met name m.b.t. de pluimveehouderij. Waarom zouden dan meerdere bouwlagen worden toegestaan m.b.t. pluimveehouderij? De MER commissie vindt het onduidelijk of rekening is gehouden met het houden van dieren in meerdere bouwlagen. De zogenoemde Commissie Van Doorn sluit dit, behalve voor pluimvee, uit maar het ontwerpbestemmingsplan laat dit wel toe. Het is gebruikelijk in de pluimveehouderij om in meerdere bouwlagen te huisvesten. Toegezegd wordt dat alsnog de in dezen door het college gevolgde redenering wordt verstrekt aan de raads- en commissieleden.
f. Hoe werkt de saldering in relatie tot de situatie dat er ruimte is om tot 14 odeur op te vullen? Moeten dan elders rechten worden opgekocht om tot die opvulling te komen? Als een bedrijf stopt kan een ander bedrijf die rechten kopen, maar dat is iets wat zich – normaal gesproken – buiten het zicht van de gemeente tussen de bedrijven afspeelt. Er hoeven voor dat opvullen geen rechten elders te worden opgekocht, als er geurruimte is kan ’t bedrijf die opvullen. De heer Wagemans zegt uit de notitie van de Anteagroup aan de gemeente d.d. 5feb14 over de door de MER cie geconstateerde tekortkomingen anders te hebben begrepen. De depositie in de Natura 2000 gebieden mag niet stijgen, daarvoor is het opkopen van rechten in diezelfde zone nodig. Daartoe dient de saldering. Het opvullen van de geurnorm tot 14 odeur en de saldering van ammoniakdepositie zijn twee verschillende dingen.
g. Kunnen ook rechten worden opgekocht buiten de gemeente? Ja, als het maar effect heeft op hetzelfde Natura 2000 gebied. De veestapel in Leudal zou dus kunnen toenemen? Ja.
h. Er zijn heel verschillende situaties m.b.t. de 15% uitbreidingsruimte voor niet-agrarische bedrijven? Wat is het vertrekpunt geweest? In elk verzoek om uitbreiding moet de noodzaak met ruimtelijke onderbouwing worden aangetoond. Er zal voldaan moeten worden aan het Limburgs kwaliteitsmenu, net zoals voor de agrarische bedrijven het geval is.
i. Als een fractie via een amendement in de raadsvergadering van 25feb14 een beleidsmatig besluit laat nemen dat tot allerlei wijzigingen in de regels en kaarten zou moeten leiden, hoe gaat dat in z’n werk? Hoe dient zo’n amendement te luiden? Het amendement kan gewoon die beleidsmatige uitspraak bevatten en het college opdragen die uitspraak juridisch correct te verwerken in de regels en kaarten.
De heer R. Baeten:
j. Hij begrijpt niet waarom dit raadsvoorstel zo vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen ‘hals over de kop’ nog moet worden afgehandeld. Er zijn zo’n 335 zienswijzen ingebracht die zorgvuldig moeten worden afgehandeld.
Naschrift griffier: In de presidiumvergadering van 4nov13 heeft het presidium zich op het
standpunt gesteld dat de besluitvorming over een raadsvoorstel tot vaststelling van het
bestemmingsplan buitengebied nog in de huidige zittingsperiode van de gemeenteraad aan de
orde moet komen, maar, het presidium zei er bij er geen voorstander van te zijn dat dat –
conform een desbetreffend collegevoorstel – op 11mrt14 zou gebeuren. Het presidium zag
die datum liever verder af van de gemeenteraadsverkiezingen van 19mrt14 liggen. In de
presidiumvergadering van 10dec13 is vervolgens besloten op 25feb14 een extra
raadsvergadering te beleggen.
De heer M. Munnecom:
k. Kan een ondernemer die een bedrijf over koopt de daar aanwezige dieren zo overnemen? Ja. Een van de uitgangspunten van het maatschappelijk debat is dat we moesten komen tot kernrandzones om mens en dier uit elkaar te halen. Maar als locaties duurzaam zijn dan kunnen ze toch in stand worden gehouden zelfs als de ondernemer stopt om daarmee dieren bij bevolkingsconcentraties te kunnen wegnemen.
De heer T. Brouwer:
l. Zitten er effecten van de voorafgaande aan dit proces genomen voorbereidingsbesluiten verwerkt in de nu voorliggende plannen? In de raadsvergadering van 13jul10 zijn voorbereidingsbesluiten genomen die uiteindelijk in de raadsvergadering van 7feb12 hebben geleid tot de vaststelling van het bestemmingsplan Intensieve veehouderijen Leudal. Het heeft geen effecten op de rechten die de agrariërs hebben.
m. Hoe verhoudt de ‘groen-voor-rood-regeling’ zich tot het voorliggende bestemmingsplan? Voor de kernen geldt de ‘groen-voor-rood-regeling’, voor het buitengebied is het Limburgs kwaliteitsmenu van toepassing. Dat blijft zo.
De heer H. Sleven:
n. Een van de uitgangspunten zou toch zijn dat er wordt gedereguleerd (minimale regels, helderheid) t.o.v.de voorgaande bestemmingsplannen buitengebied. Allerlei zaken zouden rechtstreeks mogelijk worden gemaakt. Nu leest hij echter dat het college na afweging kan afwijken. Waarom is het uitgangspunt verlaten of is er onvoldoende gevolg aan gegeven?
De heer Wagemans vult aan dat het bestemmingsplan ook had kunnen regelen dat in bepaalde gebieden helemaal niks mogelijk is en dat ’t ook niet mogelijk wordt gemaakt dat daarover een afweging plaatsvindt op grond waarvan misschien toch weer iets wordt toegestaan. Nu worden zaken, die worden toegestaan, voorwaardelijk toegestaan en zaken die zijn verboden kunnen, via een ontheffing, toch plaatsvinden. Een hoop procedureel gedoe. Waarom is hiervoor gekozen? Het uitgangspunt is wel degelijk recht gedaan maar daar waar sprake is van kwetsbare of te beschermen gebieden zijn extra regels opgesteld die pas na afweging iets mogelijk kunnen maken. Bovendien hoeft er veel minder te worden besloten door de gemeenteraad, er is daardoor een lichtere procedure.
o. Graasdierhouderijen worden gezien als intensieve veehouderijen terwijl daarover in de uitgangspuntennotitie niets staat. Waarom is daarvoor nu gekozen? N.a.v. het advies van de MER commissie. Dit geldt alleen voor grote bedrijven (regel 1.67, intensieve graasdierhouderij ‘het bedrijfsmatig houden van meer dan 200 melkkoeien waarvan een deel of alle melkkoeien permanent worden opgestald’).
p. Mestverwerking door individuele agrariërs wordt nog niet mogelijk gemaakt omdat de gemeente daarop nog geen beleid voert, tegelijkertijd wordt wel mestverwerking op Zevenellen onderzocht. Dat leidt tot rechtsongelijkheid. Er is ambtelijk wel beleid voor mestverwerking geconcipieerd maar na uitvoerig overleg met de agrarische sector blijkt dit conceptbeleid nog niet goed genoeg te zijn. Er zitten open einden in waardoor het beter lijkt om eventueel later, na vaststelling van het bestemmingsplan, pas te overwegen om dergelijke regels alsnog op te nemen. Mobiele installaties kunnen wel geplaatst worden om in 1 à 2 dagen dikke en dunne fracties mest te scheiden.
q. Hoe kan de raad controleren dat de planregels en kaarten naar aanleiding van ingebrachte zienswijzen worden aangepast? Pas als de raad besluit tot vaststelling worden alle voorgestelde wijzigingen in de regels en kaarten verwerkt en gepubliceerd. Sowieso moet 6 weken worden gewacht met publicatie omdat er sprake is van wijzigingen in het ontwerpplan. Dat is er voor om de provincie de kans te geven er op te reageren.
De heer Brouwer vult aan met een verzoek om een A4’tje te overleggen waarin het vervolgtraject wordt geschetst ná vaststelling van het bestemmingsplan. Het A4’tje wordt toegezegd.
r. Voedersilo’s zijn tot 12 meter hoogte toegestaan. Bij de voormalige boerenbond in Heythuysen stond een 15 meter hoge kalksilo. De nieuwe eigenaar wil die silo 150 meter verplaatsen naar de werktuigencoöperatie maar het bestemmingsplan laat slechts 12 meter hoogte toe. Kan de raad voor dat soort situaties een uitzondering maken? Ja. Het college is overigens in gesprek met de eigenaar (waarbij het gaat om een silo van 13 meter) maar het college zal geen voorstel aan de raad doen voor een algemene wijziging qua hoogte. Bovendien gaat het hier niet alleen om een verplaatsing sec maar ook om een verplaatsing van het bedrijventerrein naar het buitengebied.
s. Op bladzijde 223 staat dat de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken voor één enkele ondernemer n.a.v. een zienswijze 6 meter mag zijn in plaats van 3 meter, geldt dat voor iedereen? Zo ja, komt dat dan in de omschrijving van de regels terug? Bij agrarische bedrijven gold al een maximum hoogte van 6 meter voor overige bouwwerken, voor andere bedrijven was dat 3 meter. Die 3 meter wordt nu opgerekt tot 6 meter.
t. Op bladzijde 88 staat in artikel 8 iets over caravanstallingen in vrijkomende agrarische gebouwen. Staat dat dan ook op de plankaart? Moeten alle personen die nu caravanstallingen hebben maar geen duiding daarover op de plankaart naar de gemeente om toestemming te vragen? Als er geen buitenopslag is en het er fatsoenlijk uitziet, dan maakt het toch niet uit of er caravans, bromfietsen etc in staan? Het gebouw wordt dan goed gebruikt en onderhouden.
Dat staat geregeld in de regel 3.6.1 onder nevenactiviteiten. Op bladzijde 59 van de regels staat dat dat niet rechtstreeks is toegestaan. Met een omgevingsvergunning worden die nevenactiviteiten toegestaan.
u. Komen de regels voor de Golfbaan Heythuysen één op één overeen met het besluit van de gemeenteraad van 7okt08 tot vaststelling van het bestemmingsplan Golfbaan Heythuysen? Destijds bestond er een bedrijfswoning en zou er nog één bij mogen komen, in het plan dat nu voorligt zou dat niet meer mogen. Ja, met dien verstande dat de terminologie kan zijn aangepast vanwege de gewijzigde systematiek. De essentie is hetzelfde. Toegezegd wordt dat wordt nagegaan of het gestelde over de bedrijfswoningen klopt.
v. Artikel 30 ‘wonen – woonwagenstandplaats’, moet daaruit worden afgeleid dat woonwagenbewoners een bedrijf aan huis mogen hebben? De raad bleek op 5mrt13 geen voorstander van zo’n situatie op de Bosrand in Haelen. De woonwagenoppervlakte mag 100 m2 zijn, is dat een uitbreiding t.o.v. de huidige bebouwingsmogelijkheden? Toegezegd wordt dat hierover helderheid komt.
w. In de stukken wordt voor standplaatsen om producten te verkopen uitgegaan van de periode april t/m juli. Hoe zit dat dan met bedrijven die ‘late aardbeien’ willen verkopen?
x. Waarom moeten mensen die in het weidevogelgebied in Haler grasland willen scheuren een vergunning aanvragen terwijl ze alleen maar opnieuw willen inzaaien met gras? Dat zijn toch gewone onderhoudswerkzaamheden? Een meldingsplicht zou de rompslomp kunnen verminderen. De plannen zijn conserverend van aard, bijzondere waardes zijn overgenomen. Een weidevogelgebied is waardevol gevoeg om daar regels aan te verbinden. Bij een meldingsplicht kun je geen afweging meer maken.
De heer P. Janssen:
y. Hij vindt dat de materie dermate ingewikkeld en omvangrijk is dat een onredelijk beroep op met name kleine fracties wordt gedaan, zoals de zijne, om volgende week in een raadsvergadering te kunnen beraadslagen en besluiten. Bijeenkomsten zoals vandaag hadden beter over meerdere bijeenkomsten gespreid kunnen worden. Nu zal hij moeten zeggen dat het raadsvoorstel wat hem betreft niet bespreekrijp is voor de raadsvergadering van 25feb14. De problematiek wordt herkend. Aan een bestuurlijk opvolger zal dan ook worden geadviseerd een algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied in parten te behandelen (bijvoorbeeld: akkerbouw, intensieve veehouderij, wonen in het buitengebied). Van de andere kant is er in de toekomst niet, zoals nu, sprake van harmonisatie van diverse bestemmingsplannen uit de voormalige vier gemeenten.
- Plan-MER en aanvullende notitie
De heer M. Wagemans:
z. Bij het vorige onderdeel is gezegd dat opvulling tot de norm van 14 odeur mogelijk is. De gemeente geeft als reactie - op de opmerking van de MER commissie dat de relatie tussen planologie en milieu zwak is in de stukken - dat in het milieubeleid niet wordt gestreefd naar opvulling van de norm. Heb je als gemeente in geval iemand in beroep gaat bij de Raad van State wel voldoende stevige motivering? In de notitie staat dat er niet naar wordt gestreefd om de geurruimte op te vullen, streven is iets anders dan iets toestaan. Er is niet voor gekozen om alle waarden (bijvoorbeeld vleermuizenpopulaties, varens die ergens groeien) te gaan beschrijven. Maar, als er een mutatie plaatsvindt (bijvoorbeeld sloop van een gebouw) gaat worden gekeken of er niet kritische grenzen worden overschreden m.b.t. die waarden. Dát is de systematiek van dit bestemmingsplan. Op voorhand hoeft niet gevreesd te worden dat het voorliggende plan op die door de MER commissie genoemde onderdelen geen stand houdt bij de Raad van State.
aa. In de bijlagen staat ergens dat varkens meerlaags mogen worden gehouden. Dat klopt niet met de eerdere constatering in deze vergadering dat het daarbij alleen om pluimveehouderij gaat. In de MER zijn enkele scenario’s uitgewerkt. In de alternatieven staat in het maximale scenario dat ook die meerlaagsheid is toegestaan. Dat is er later uitgehaald om een beter plan te krijgen. N.a.v. de eerste onderzoeken van de MER is afgesproken om enkele beleidsaanpassingen te doen, o.a. die meerlaagsheid gaat er daardoor uit maar die wordt wel nog genoemd en dat werkt verwarrend.
bb. Wat is het verschil tussen intern en extern salderen? Intern salderen is de mogelijkheid om binnen een veehouderij in (een deel van) de bestaande huisvestingssystemen geen ‘Beste Beschikbare Technieken’ toe te passen. Extern kan zich in theorie ook uitstrekken buiten de gemeente maar in de praktijk zal zich dat zelden voordoen omdat het effect binnen een bepaald gebied meetbaar moet zijn.
cc. Kunnen dierrechten worden opgekocht in Noord-Brabant om daarvan binnen de gemeente Leudal te profiteren en zo nee, waar hebben we dat nu in de plannen uitgesloten? Toegezegd wordt dat op die vraag nog een antwoord komt.
De heer P. van Melick:
dd. Hoe komt de gemeente aan een maximum hoogte van 2 meter voor sleufsilo’s, daarover zijn diverse zienswijzen binnengekomen. Hoe zit dat in omliggende gemeenten? 2 meter is best een hoge hoogte, daarboven wordt nog een hele bult aan materiaal opgeslagen. Hoe het in andere gemeenten zit is niet bekend. Situaties in Leudal hoger dan 2 meter aan sleufsilo’s zijn ook niet bekend. Als er behoefte bestaat kan misschien iets buitenplans worden geregeld.
De heer M. Munnecom:
ee. De MER gaat uit van een realistisch en een maximaal scenario. Wat verwacht het college waar we de komende 10 jaar in terecht komen? In het plan MER wordt geschreven dat er een aanzet tot een evaluatieprogramma moet komen of de verwachte effecten ook echt gaan optreden; hoe moet dat worden gezien? Het college verwacht niet dat het maximale scenario wordt gehaald, vandaar dat er ook een feitelijk scenario is gemaakt. Toegezegd wordt dat op de tweede vraag nog een reactie komt.
ff. We weten hoeveel bedrijven er zijn, we hebben zienswijzen, we hebben het veegplan, we hebben meelifters. Is dat allemaal meegenomen in de MER? In het maximale scenario zijn alle locaties in de berekening meegenomen met hun maximaal mogelijke gebruik van de 2,5 hectaren die het bestemmingsplan biedt, dit staat los van de bedrijfsontwikkelingsplannen die nu zijn ingediend. Het bestemmingsplan is conserverend van aard en niet ontwikkelingsgericht, de uitkomsten van de MER moeten dan ook nog jaren valide kunnen blijven.
gg. Hoe lang is een ingediend bedrijfsontwikkelingsplan geldig? Als de ruimte niet wordt opgevuld zoals die nu is aangevraagd in het bedrijfsontwikkelingsplan dan is het college voornemens die er in de volgende planperiode vanaf te halen.
- Nota van zienswijzen
De heer H. Sleven:
hh. Hij leest in zienswijze 64 (perceel Ringstraat Neeritter) dat de gemeente akkoord is wat betreft de diepte van het bouwblok maar bij de bestemmingsplanaanpassing staat dat er niks gebeurt. De diepte wordt aangepast.
ii. Naar aanleiding van een zienswijze (Nemada autobedrijf & autorecycling Kelpen-Oler) schrijft het college naar iemand die iets vond over het afnemen van een bestemming op het bedrijventerrein Kelpen-Oler dat ie in het kader van dat bestemmingsplan of veegplan zijn zienswijze had moeten kenbaar maken en niet bij het bestemmingsplan buitengebied, dit terwijl toen dat bestemmingsplan bedrijventerrein aan de orde was het bewuste perceel nog behoorde tot het buitengebied. Met de ondernemer is gesproken, het perceel wordt uit het bestemmingsplan buitengebied gehaald, daarmee blijven op dit moment de bestaande rechten behouden. Via het reparatie- en veegplan wordt het perceel toegevoegd aan het bedrijventerrein Kelpen-Oler.
jj. Als ik naar zienswijze 173 kijk (Caluna 6a) moet ik dan de woningen 6a, 8a en 8b als de bedrijfswoningen zien? Ja.
De heer M. Wagemans
kk. Hij wil precies in beeld hebben wat er is vergunning aan de helihaven Frank Coolen Machines BV in Heythuysen. Is er sprake van een zelfstandige helihaven of gaat het om bedrijfsgebonden helivluchten? Toegezegd wordt dat wat vergund is zal worden meegedeeld.
ll. Zienswijze 149: de heer Verstappen van Geelenhoof in Kelpen-Oler zegt in 2004 een brief van het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Heythuysen te hebben gekregen dat drank en horeca is toegestaan en dat schriftelijk is toegezegd dat dat zou gaan worden geregeld in het eerstkomende bestemmingsplan. Waarom is dat niet verwerkt? De heer H. Sleven meent ook te weten dat de ondernemer die brief heeft, destijds had die vergunning ook een relatie met de activiteiten van de beugelclub. Toegezegd wordt dat dit wordt uitgelegd aan de raads- en commissieleden. De heer Sleven wil bovendien het dossier over de horecavergunning ter inzage.
mm. Er staat ergens dat depositie in de Naturagebieden niet kan toenemen. Zijn er ook inspanningen waardoor de situatie beter wordt? Nee.
nn. In een van de zienswijzen staat ‘meerlaagse veehouderij wordt niet toegestaan’, terwijl daar kennelijk tevens bij zou hebben moeten staan ‘met uitzondering van pluimveehouderij’. Dat is correct en zal worden aangepast.
oo. In de regelgeving over het aantal standplaatsen bij de boer staat dat het naar 40 mag en in een reactie op een zienswijze wordt gezegd dat dat maar 15 is maar dat een afwijkingsprocedure mogelijk is tot 40. Hoe zit dit? In 3.1.2 van de regels staat dat binnen het bouwvlak kleinschalige kampeeractiviteiten met maximaal 15 seizoenstandplaatsen op het erf zijn toegestaan; verderop staat dat het college via een omgevingsvergunning dat aantal kan ophogen tot 40. Indien een bedrijf 25 standplaatsen heeft dan zal óf een legalisatieprocedure moeten worden gestart óf een handhavingsactie. De heer H. Sleven vraagt of dit niet haaks staat op het provinciale beleid want dat heeft in 2008/2009 als aantal 25 gesteld? De provincie heeft hierover in het vooroverleg geen opmerking gemaakt.
De heer M. Munnecom:
pp. Het is mij niet duidelijk hoe de het college omgaat met de vigerende omvang van de
bouwblokken, daar waar géén bedrijfsontwikkelingsplan is of wordt ingediend. Steeds staat in het collegestandpunt dat 'het feitelijk gebruik' wordt bestemd. Echter bij herhaling tref ik na deze algemene uitspraak dat de zienswijze toch wordt overgenomen. Dit komt niet consequent over/ lijkt op willekeur. Bij zienswijze 15 wordt bijvoorbeeld als argument gebruikt dat 'de zienswijze kan worden opgevat als een bedrijfsontwikkelingsplan’ en wordt het vigerende bouwblok gehandhaafd, bij zienswijze 47 wordt 'vergevorderd overleg' als argument gebruikt voor handhaving van het vigerende bouwblok, bij zienswijze 20 is het weer anders. Realistische bedrijfsontwikkelingsplannen en kleine aanpassingen zijn meegenomen. Als een bouwblok kleiner wordt kan men het met een bedrijfsontwikkelingsplan ‘op sterkte houden’ of dan gaat er minder van af. Soms vroeg men nog een uitbreiding van een werktuigenloods, een paardenstal of een longeercirkel, daarover is afgesproken dat geen bedrijfsontwikkelingsplan hoeft te worden gemaakt, die nemen we zo over, dan pakken we het onderliggende terrein niet uit de bouwkavel. Aan de ‘bop’-systematiek zit namelijk geen vormvereiste.
qq. Het nieuwe bestemmingsplan heeft geen effect op de rechten die mensen nu hebben. In antwoord op de zienswijzen lezen we dat niet ingevulde bouwvlakken verdwijnen. Als nu sprake is van een feitelijke woning, dan verandert er toch wel iets voor die mensen? In een aantal gevallen is, als agrarische activiteiten beëindigd zijn, een woonbestemming opgenomen. Bij de duurzame locaties hebben we ‘vrijkomende agrarische bebouwing’ opgenomen zodat de mensen er wel legaal kunnen wonen en weer in andere gevallen hebben we er de aanduiding ‘plattelandswoning’ aan gegeven als het agrarisch bedrijf nog actief is.
Overzicht meelifters huidige plan
De heer H. Sleven:
rr. Weten alle ondernemers al dat ze bepaalde gegevens voor 1apr14 moeten aanleveren? Ja, daarover is gecommuniceerd.
ss. Hij meent dat er ook afspraken zijn gemaakt met een mevrouw die woont in een voormalig bedrijfspand aan de Reijndersstraat in Baexem en die zou op grond van een schriftelijke toezegging meeliften bij een te herzien bestemmingsplan buitengebied. Zij staat niet op de lijst. Er zijn mensen die ooit een principemedewerking hebben gekregen maar die besloten hebben daar niets mee te doen, misschien is dat zo’n geval. Toegezegd wordt aan de hand van deze globale omschrijving te achterhalen om wie het gaat en welke rechten aan de orde zijn.
De heer T. Brouwer:
tt. Is het meeliftplan te zien als een informeel veegplan? Dit zijn de verzoeken om uitbreiding van mensen die hebben gewacht op de komst van dit bestemmingsplan, daardoor hoeven zij geen aparte procedure te volgen.
uu. Wat is het verschil tussen de mensen die meeliften en de mensen die in het veegplan terechtkomen? Van een aantal mensen had de gemeente de ruimtelijke onderbouwing nog niet compleet of de onderzoeksgegevens waardoor het niet mogelijk was om ze nu in het bestemmingsplan mee te nemen, die komen mogelijk terecht in het veegplan. In enkele gevallen zijn de gegevens door de gemeente niet tijdig getoetst, ook die komen in het veegplan terecht.
- Het raadsvoorstel en conceptraadsbesluit
De heer M. Wagemans:
vv. Is er ook een financieel plan / plan met financiële consequenties gekoppeld aan dit bestemmingsplan? Nee. Er is ook geen budget gekoppeld aan dit plan voor bijvoorbeeld flankerend beleid.
De heer T. Brouwer:
ww. Hoe is rekening gehouden met de risico’s en de eventuele financiële gevolgen van bijvoorbeeld schadeclaims. Bij uitbreiders wordt er door middel van een overeenkomst afgewenteld op de aanvrager. Het financieel risico voor de gemeente wordt laag ingeschat, vandaar dat aan de raad ook geen budget wordt gevraagd.
De heer H. Sleven:
xx. Hij zegt dat in het raadsbesluit onder punt 4 een deel zou moeten worden gewijd aan hetveegplan met in een aanhangsel bij het raadsbesluit een overzicht van degenen die in dat
veegplan zitten. Dan kunnen zij daar rechten aan ontlenen. Dat zou op zich kunnen maar de
ruimtelijke onderbouwingen moeten nog worden aangeleverd én ze moeten nog worden
goedgekeurd. Leveren de mensen hun stukken niet aan of kan er geen goedkeuring aan
worden gehecht dan vliegen ze t.z.t. bij de vaststelling van het veegplan ‘in oktober 2014’ uit
het besluit. Toegezegd wordt dat die suggestie in overweging wordt genomen, de raads- en
commissieleden vernemen daarover nog.
- Overzicht meelifters reparatieplan en veegplan
De heer T. Brouwer:
yy. Zou het niet slimmer zijn geweest om een exercitie als deze eerder te hebben uitgevoerd? Dit plan werd nodig op het moment dat het presidium (op 4nov13) besloot dat het raadsvoorstelvaststellen bestemmingsplan buitengebied nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van
19mrt14 zou moeten worden behandeld (bij presidiumbesluit van 10dec13 bepaald op een op
25feb14 te houden extra raadsvergadering). Daardoor kwamen sommige bedrijven in een
positie te verkeren dat ze niet meer tijdig zouden kunnen meeliften en werd een veegplan
een ‘next best’ oplossing.
zz. Was er in het gemeentehuis geen zicht op de gevolgen van het presidiumbesluit? Jawel, maar
ambtelijk en bestuurlijk is alles op haren en snaren gezet moeten worden om de deadline
(aanlevering van het raadsvoorstel aan raads- en commissieleden op 11feb14) te kunnen
halen.
aaa. Moeten mensen die in het veegplan zitten toch na een raadsbesluit op 25feb14 beroep
aantekenen omdat ze nog geen zekerheid hebben? Nee, zij kunnen zich gewoon melden bij
de ambtenaren en dan gaan zij daarmee aan de slag. Degenen die zich niet goed genoeg
gehoord vinden n.a.v. hun zienswijze zullen mogelijk beroep aantekenen tegen het
raadsbesluit.
bbb. Weten de mensen die in het veegplan zitten al dat zij in die procedure zitten nog voordat de
raad een besluit neemt? Ja, zowel mondeling als schriftelijk. Zij weten tevens wat de
gemeente van hen verlangt.
De heer H. Sleven:
ccc. Hij ziet in het reparatie- en veegplan niet een lijst met namen van gevallen waarin de schuld van het niet kunnen meeliften bij de gemeente ligt. Die komen wel degelijk in het veegplanterecht.
De heer M. Wagemans:
ddd. De mensen die een door het college gehonoreerde zienswijze hebben die komen toch niet in het veegplan terecht? Inderdaad.
eee. Waarom staat Van Rooij Nuenen BV, Hunnissenstraat in Ell bij de meelifters? Er staan bij demeelifters enkele personen die al wel geregeld zijn maar waarvan de verwerking in het
bestemmingsplan nog niet is geschied. Het gaat in dit aangehaalde geval om een kleine wijziging (vormverandering van het perceel) aan de achterzijde.
fff. Welk adviesbureau is door het college enkele weken geleden van de opdracht afgehaald? Kuiper Compagnons uit Rotterdam. Welk bureau heeft het werk mogen afmaken? Tonnaer heeft de zienswijzen verder behandeld en gaat de wijzigingen verwerken die voortvloeien uit het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Met Tonnaer heeft de gemeenteeen prettige manier van werken gevonden. We hebben de indruk dat we beter op één lijn
zitten en daardoor de communicatie en verwerking beter loopt. Toegezegd wordt dat de heer
Wagemans de afwerking richting Kuiper Compagnons ter inzage krijgt.
- Overige punten
De heer M. Munnecom:
ggg. Wordt via de bestemming van een gebouw precies bepaald welke diersoorten er mogen
worden gehouden om te voorkomen dat de aanvraag over geiten ging en dat er later paarden
in worden gehouden. Nee. Vreemd dat binnen een bedrijfsontwikkelingsplan een ondernemer
niet aangeeft welke dieren hij denkt te gaan houden. Meestal is die duidelijkheid er wel, soms
is ook een MER-plicht van toepassing bij een bepaald gebruik.
De heer R. Baeten:
hhh. Wordt het niet tijd om het aantal van - volgens een krant - 250 intensieve veehouderijen een verdere uitbreiding een halt toe te roepen vanwege gezondheidsaspecten. Er is inmiddels een gezondheidsparagraaf toegevoegd. De vraag, welke consequenties die paragraaf moet hebben, is een politieke. De heer H. Sleven merkt op dat in de stukken staat dat in de gemeente Leudal in 2011 96 intensieve veehouderijen aanwezig waren. Wethouder P. Vogels merkt nog op dat de gemeenteraad in zijn vergadering van 7feb12 het bestemmingsplan ‘Intensieve veehouderijen Leudal’ heeft vastgesteld. De heer M. Wagemans zegt dat er in de gezondheidsparagraaf toch nauwelijks een letter beleid staat? Wat heeft de gemeenteraad van Leudal aan vermindering van gezondheidsrisico’s gedaan als hij het bestemmingsplan vaststelt? Ook die tekst is nog de ontwerptekst en wordt nog aangepast.
De heer B. Sijben:
iii. In de aanvulling op de MER staat dat we meerlaags bouwen bij veehouderijen gaan verbieden tenzij het gaat om pluimveehouderijen. In de regels staat echter onder 3.2.1 onder h dat ter plaatse van de percelen in de kernrandzone de stalruimte ten behoeve van intensieve veehouderij slechts in één bouwlaag voor dat doel mag worden gebruikt. Het gaat hier over alleen kernrandzones én pluimveehouderijen worden niet uitgezonderd. Hoe zit dit? De regels, waaruit de heer Sijben leest, zijn de ontwerpregels; die moeten nog worden aangepast.
Advies commissie ruimte
Normaal gesproken geeft een commissie over een raadsvoorstel richting presidium een advies over het al dan niet beraadslagingsrijp zij voor een raadsvergadering. In dit geval heeft het presidium in z’n vergadering van 4feb14 een afwijkende procedure vastgesteld en wel de volgende.
‘Daags ná de bespreking van het raadsvoorstel in de extra commissievergadering ruimte van 18feb14, wordt door de griffier een digitale raadpleging van de fractievoorzitters gehouden waarbij gevraagd wordt of de desbetreffende raadsfractie het raadsvoorstel rijp vindt voor beraadslaging in de extra raadsvergadering van 25feb14. Vervolgens ‘weegt’ de griffier de reacties aan de hand van het aantal raadszetels van de fractie en neemt de burgemeester aan de hand van de uitkomst van die weging een definitief besluit over het al dan niet doorgaan van de raadsvergadering van 25feb14’.
-
5
Besluit
Niets meer aan de orde zijnde sluit de voorzitter de vergadering om 21.56 uur.